Muziekgenres

Nederlandse instrumenten: van hommel tot draaiorgel

De hommel, de rommelpot, de midwinterhoorn en het draaiorgel: een rondgang langs de instrumenten die bij de Nederlandse volksmuziek en tradities horen.

Amsterdamse gracht met fietsen en grachtenpanden in de avond

Bij Nederlandse muziek denken veel mensen aan zangers en bands. Maar Nederland heeft ook een eigen geschiedenis als het gaat om instrumenten. Sommige hoor je alleen nog bij volksmuziekgroepen en op folkfestivals, andere staan gewoon op straat of hangen in de kerktoren. Een rondgang langs de bekendste Nederlandse instrumenten.

De hommel

De hommel is een snaarinstrument uit de familie van de citers. Het is een smalle houten kast met snaren die je tokkelt of aanstrijkt, terwijl een of twee snaren de melodie spelen en de rest een doorlopende bromtoon geeft. Daar komt ook de naam vandaan: het klinkt als het zoemen van een hommel. Het instrument werd vroeger in de Lage Landen veel thuis gespeeld, omdat het eenvoudig te maken was. In de folkscene wordt de hommel nog altijd gebouwd en bespeeld.

De draailier en de doedelzak

Op schilderijen van Jeroen Bosch en Pieter Bruegel zie je ze terug: de draailier en de doedelzak. Bij de draailier draai je aan een slinger, waardoor een houten wiel langs de snaren strijkt. Met toetsen speel je de melodie. De doedelzak was in de Lage Landen eeuwenlang een vertrouwd instrument op feesten en kermissen. Beide instrumenten zijn bij liefhebbers van oude muziek en volksdans nog steeds populair.

De rommelpot

De rommelpot is misschien wel het eenvoudigste Nederlandse instrument. Het is een pot of blik met een vel of blaas eroverheen, met in het midden een stokje. Door met natte vingers langs dat stokje te wrijven, maak je een brommend geluid. De rommelpot hoort bij oude feestdagen, zoals Sint-Maarten en vastenavond, en in het zuiden van het land bij carnaval.

De midwinterhoorn

In Twente en de Achterhoek hoor je in de winter een bijzonder geluid: de midwinterhoorn. Dit is een lange houten hoorn die traditioneel wordt geblazen van de eerste adventszondag tot Driekoningen. Het geluid draagt ver over de velden. Hoe oud de traditie precies is, weet niemand zeker, maar ze wordt in het oosten van het land nog steeds in ere gehouden.

De trekzak

De trekzak, of trekharmonica, kwam in de 19e eeuw naar Nederland en werd al snel een vast onderdeel van de volksmuziek en het levenslied. Het instrument is draagbaar, luid genoeg voor een zaal en geschikt voor zowel melodie als begeleiding. Meer over de rol van de trekzak lees je in ons artikel over Nederlandse volksmuziek.

De beiaard

De beiaard, ook wel carillon genoemd, is een instrument van klokken in een toren dat door één bespeler vanaf een klavier wordt bespeeld. De Lage Landen zijn van oudsher het centrum van de beiaardkunst. In veel Nederlandse steden klinkt nog wekelijks een beiaardconcert, en in Amersfoort is zelfs een beiaardschool gevestigd.

Het draaiorgel

Het bekendste Nederlandse instrument is misschien wel het draaiorgel. Deze grote, kleurrijke orgels op wielen staan vooral in Amsterdam en andere steden al generaties lang op straat, met een orgelman die met een collectebusje rammelt. De muziek staat op kartonnen boeken met gaatjes. In Museum Speelklok in Utrecht kun je zien en horen hoe deze en andere mechanische instrumenten werken.

Tot slot

Veel van deze instrumenten worden nog bespeeld door muzikanten die de traditie levend houden, soms in combinatie met moderne muziek. Wie wil weten hoe de volksmuziek zich door de eeuwen heen ontwikkelde, leest verder in De evolutie van Nederlandse volksmuziek.